Mark J BDE
Home Page Bestaande BDEs Deel uw BDE


Beschrijving Ervaring:

DE AUTEUR VERZOEKT DAT DIT VERSLAG UITSLUITEND OP NDERF VERSCHIJNT, TENZIJ HIJ ANDERSZINS TOESTEMMING GEEFT.

Op 17 december 1979 sneeuwde het in Lake Tahoe. Het was een schooldag – zo’n dag waarop we naar de radio luisterden of misschien de busgarage belden om te horen of de school zou worden afgelast vanwege het winterweer. Dat soort dingen is heel normaal tijdens de wintermaanden aan de noordelijke oever. Als tiener vond je het natuurlijk heerlijk om een ​​dagje vrij te zijn van school; het voelde als een onverwacht cadeau dat we maar al te graag aannamen.

Doorgaans waren zulke dagen te stormachtig om lekker te kunnen skiën, en de wegen waren – althans in de ochtend – in slechte staat. Maar Placer County en de staat Californië waren altijd op hun taak berekend; ze zorgden er al snel voor dat de hoofdwegen voldoende sneeuwvrij waren om er met schoolbussen er doorheen te kunnen rijden. Het leek erop dat ze als prioriteit hadden om eerst de belangerijkste schoolbusroutes vrij te maken. Dat lukte ze – tot mijn grote ergernis – bijna altijd, en ook op deze 17e december hadden ze hun werk gedaan.

Ik zat in het laatste jaar van de North Tahoe High School en was zeventien. Tegen die tijd reed ik al ongeveer een jaar zelf naar school, eerst in de auto's van mijn ouders en later in mijn eigen auto, die was voorzien van winterbanden met spikes. Ik had geleerd dat elke zichzelf respecterende inwoner – als je geen vierwielaandrijving had – met zulke banden reed, net als ik. Voor mij waren sneeuwkettingen een teken van zwakte en onervarenheid. In Tahoe reed je door de sneeuw of je liftte. Die ochtend reed ik naar school. Voor mij en de meeste van mijn vrienden was rijden in de sneeuw leuk; het was makkelijk om de auto te laten glijden of de wielen te laten spinnen voor de lol, en we deden ook volop ervaring op met het opvangen van onverwachte slippartijen. De wegen waren in redelijk goede staat, gezien de hoeveelheid sneeuw die viel. Ik had geen problemen met de rit, maar ik herinner me dat ik dacht: er komt toch wel ontzettend veel sneeuw naar beneden.

Ook al hadden we onze ochtendcadeautje niet gekregen, we hoopten dat elk moment de stem van de conrector door de intercom zou klinken om onze beloning – eerder naar huis mogen – aan te kondigen. In sommige opzichten waren deze halve schooldagen nog fijner dan dagen waarop de school vanwege sneeuwval dichtging; we hoefden ze immers niet aan het eind van het jaar in te halen en hadden bovendien het voordeel dat we bij onze vrienden waren en van elkaar wisten wat de plannen voor de rest van de dag waren. Ik zou nooit te weten komen of de school die dag inderdaad eerder uitging.

Tim had ook een gloednieuwe Jeep CJ. Deze jeep had geweldige banden en vierwielaandrijving: het ultieme speeltje voor in de sneeuw voor jonge bestuurders. Toen de bel voor de lunch ging, liepen we dus over de schoolparkeerplaats naar de jeep toe. Ik had het lekker warm tijdens die wandeling in mijn nieuwe donsjack. Het bezit van een donsjack was net zoiets als vierwielaandrijving of spijkerbanden onder je auto hebben; het hoorde bij de overlevingsuitrusting van de lokale bevolking in Tahoe. Sommige locals lapten hun grote donsjacks graag op met ducttape, maar mijn jas was nieuw en zat dus nog zonder ducttape.

De sneeuwval was heviger geworden; sterker nog, het was uitgegroeid tot een sneeuwstorm. De storm had dat kritieke punt bereikt dat zich bij stormen in de Sierra soms voordoet: het moment waarop de sneeuwschuivers de val niet meer konden bijhouden. Als dit overdag gebeurt, zorgt het lokale verkeer – moeders die boodschappen doen en zakenmensen die op en neer rijden – ervoor dat de sneeuw op de straten niet wordt geruimd, maar juist wordt platgereden en vastgedrukt. Op de plekken waar de schuivers de sneeuw van de weg halen, zorgt dit proces van vastrijden ervoor dat de sneeuwlaag op het wegdek uithardt en verdicht tot een hardheid die bijna aan beton doet denken.

Muziek van *The Wall* begeleidde het ritme van de ruitenwissers tijdens de rit naar Tims huis, over precies zo'n verraderlijk wegdek. Hij woonde slechts een mijl of twee van de middelbare school; hoewel we een paar keer weggleden, had de jeep geen moeite met de omstandigheden zodra Tim zijn snelheid aanpaste aan het levensgevaarlijke wegdek. Eenmaal in zijn appartement aan het meer luisterden we naar Pink Floyd via Sansui-luidsprekers met joekels van woofers, terwijl we broodjes aten en frisdrank dronken. Toen was het tijd om de cassette terug naar de jeep te brengen en naar school terug te rijden.

Naast het appartementencomplex lag Star Harbor, de thuisbasis van het kustwachtstation van North Lake Tahoe en een botenhelling met een groot parkeerterrein. Met meer dan zestig centimeter verse poedersneeuw op dat terrein konden maar weinig jonge Jeep-rijders weerstand bieden aan zo'n speelplaats, en Tim vormde daarop geen uitzondering. Tim reed vlot het parkeerterrein op en liet me zijn truc zien. Die stunt hield in dat hij zo snel mogelijk vaart maakte, het stuur hard omgooide en tegelijkertijd de handrem aantrok. Onder ons inwoners van Tahoe stond dit bekend als de 'E-Brake-turn'; Tim en ik vermaakten ons op het parkeerterrein tot het allerlaatste moment, net voordat we te laat zouden komen na de lunchpauze. Tim reed rustig weg bij Star Harbor, de Lake Forest Road op, terug naar de middelbare school.

Terwijl we in het appartementencomplex aan het lunchen waren, hadden de winterse wegomstandigheden zich verder ontwikkeld. Er was een sneeuwschuiver over Lake Forest Road geweest. Wanneer een sneeuwschuiver met een standaard recht blad op dit soort keiharde, vastgereden witte sneeuw stuit, verwijdert hij niet veel sneeuw. Hij schraapt slechts de ruwe toplaag van het vastgereden oppervlak, zoals een scheermesje verf van glas verwijdert. Door dit schrapen blijft een glad, schoon oppervlak achter dat doet denken aan gepolijst wit marmer. Dit type wegdek is zo glad dat je er nauwelijks op kunt staan ​​of lopen. Tel daar nog eens een laagje sneeuw van ongeveer zes millimeter bij op, en het was net alsof we op een ijsbaan reden. Dat was de situatie op Lake Forest Road.

Ik heb het nooit gevraagd, maar ik neem aan dat Tim zo'n vierhonderd meter verderop op Lake Forest Road een geschikte plek zag voor een handrembocht. Geen van ons beiden had echter verwacht wat er daarna gebeurde: toen de slip eenmaal was ingezet, leek de Jeep op het levensgevaarlijke, gladde ijs zelfs te versnellen. De Jeep raakte volledig in een ongecontroleerde slip. Het was een bekend gevoel om ongecontroleerd door de sneeuw te glijden; ik had dat al vaak meegemaakt, meestal voor de lol, soms per ongeluk. We gleden naar rechts, met de bestuurderskant voorop, richting een oprit. De snelheid lag waarschijnlijk rond de 55 kilometer per uur, maar we remden totaal niet af.

Terwijl ik in de richting van de glijbeweging keek, zag ik dat we op een telefoonpaal afreden. In gedachten zag ik de paal doormidden knakken alsof het niets voorstelde – als één van die houten sneeuwpaaltjes waar ik eerder overheen was gereden. Vervolgens zag ik voor me hoe we daarna in een diepe sneeuwbank vast zouden komen te zitten en ons zouden moeten uitgraven. Ik dacht bij mezelf: 'Geweldig, we komen vast te zitten en moeten ons uitgraven, en dan zijn we te laat terug van de lunchpauze.' De jeep bleef glijden, terwijl de tijd leek te vertragen. Tijdens het glijden bleef ik naar de paal kijken; het leek erop dat we hem misschien zouden missen. Wat er werkelijk gebeurde, was echter heel anders. Mijn laatste herinnering eraan is misschien een hard geluid – eerder een soort geritsel of tumult dan een luide klap – vergezeld van een korte lichtflits, en daarna duisternis.

Het volgende geluid dat ik hoorde, was *The Wall* van Pink Floyd dat uit de stereo van de jeep klonk. Ik kwam langzaam bij en voelde me bijna gevoelloos. Mijn hele lichaam tintelde, net zoals je been in slaapt valt na te lang met gekruiste benen te hebben gezeten. Ook leek er een suizend of fluitend geluid in mijn oren te zitten. Toen ik weer kon zien, zag ik dat ik op mijn rug direct onder het achterdifferentieel van de jeep lag en naar de achteras staarde. Ik weet niet hoe lang ik daar al lag. Ik was er erg van in de war; ik wist echt niet wat ik ervan moest denken. In mijn hoofd had ik het idee dat ik onder Tims jeep was gekropen, maar ik kon me niet herinneren dat ik dat had gedaan of waarom. Ik weet niet meer of ik eronder vandaan ben gesleept of dat ik er zelf onder vandaan ben gekomen, al lijkt het erop dat ik mezelf er op de een of andere manier onder vandaan heb getrokken. Ik herinner me wel dat ik op straat achter de jeep stond en overeind kwam, om vervolgens meteen weer bewusteloos neer te vallen.

Toen ik weer bijkwam, hielden Tim en een onbekende me bij mijn armen vast en sleepten ze me van straat. Het voelde alsof er messen en dolken in mijn linkerarm zaten; ik voelde geschuur en iets dat heel los en scherp aanvoelde in mijn arm, schouder of borst. Ik kon niet precies zeggen wat er aan de hand was, maar op de een of andere manier wist ik dat mijn arm gebroken was. Ik moest Tim zeggen dat hij me moest loslaten; mijn arm was gebroken en hij deed me pijn. Hij liet mijn arm los en sloeg zijn arm om mijn middel, terwijl ik meer op de vrouw aan mijn rechterkant leunde. Ik begon te beseffen dat ik geen adem kon halen. Het voelde alsof de arm om mijn middel – of het gewicht van mijn lichaam in de greep van de twee mensen die me meesleurden – me de adem had benomen. Ze namen me mee naar het huis van de vrouw aan mijn rechterkant in en legden me op de bank in de woonkamer. Ik raakte opnieuw buiten bewustzijn, al zou ik op dat moment gezegd hebben dat ik in slaap was gevallen.

Ik was bij bewustzijn en hoorde stemmen. Tim was er, en ook de onbekende vrouw en een andere man bevonden zich in de ruimte. Ik moet hebben gekreund of gehuild, want ze bespraken wat ze konden doen om de pijn te verlichten. Op de een of andere manier hoorde ik dat ze een ambulance hadden gebeld en dat de verkeerspolitie onderweg was. Ofwel ben ik de herinneringen kwijtgeraakt, ofwel heb ik nooit een heel duidelijk beeld gehad van wat er precies aan de hand was. Inmiddels wist ik dat ik een auto-ongeluk had gehad. Ik wist dat we tegen een telefoonpaal waren gereden en dat die niet was afgebroken. Ik hoorde de man en de vrouw met elkaar praten; ze hadden besloten een joint voor me op te steken, omdat dat de pijn zou verzachten. Toen de man hem aan me wilde geven, moest ik zeggen dat ik niet kon roken, omdat ik te veel moeite had met ademhalen. Sterker nog, mijn ademhaling leek met elke teug moeizamer te gaan. Later zou ik vernemen dat mijn long aan het inklappen was.

Ik probeerde wanhopig de aandacht van Tim te trekken. Ik had wat drugs in een zakje in mijn zak zitten. Ik wilde ze verbergen voordat de politie zou arriveren, maar ik kon mijn arm niet bewegen om erbij te kunnen. Uiteindelijk kreeg ik Tims aandacht; hij moest naast de bank knielen en zijn oor vlak bij mijn mond houden om me te kunnen verstaan. Hij liet zijn hand in mijn zak glijden, haalde het zakje eruit en propte het onder de bank. Praten werd met elke ademhaling moeilijker. Maar ik was opgelucht dat ik de drugs niet meer bij me had. Ik wilde niet in de problemen komen met de politie door dit kleine ongelukje. Ik had geen idee in wat voor grote problemen ik eigenlijk al zat. Toen de verkeerspolitieagent arriveerde, begon hij me vragen te stellen. Tegen die tijd kreeg ik niet genoeg lucht om harder te spreken dan een zacht fluisteren. Ik weet nog dat hij me herhaaldelijk naar mijn naam vroeg; telkens als ik antwoord gaf, herhaalde hij: "Weet je wat er is gebeurd? Kun je me je naam geven? Ik zei dan: "Ik ben Mark en we waren met de jeep in een ongeluk," maar blijkbaar kon hij me niet horen. Misschien ben ik weer even in slaap gevallen, maar ik hoorde Tim en de agent over het ongeluk praten en Tim vertelde hem wie ik was. Ik kan oprecht niet zeggen hoe lang ik daar heb gelegen. Het leek wel drie kwartier, maar het kan ook tien minuten of een uur zijn geweest. Alles was nogal vervormd. Ik herinner me dat ik afwisselend in en uit een sluimerstand gleed. Toen hoorde er meer geluiden en hoorde ik de ambulance aankomen.

Twee ambulancemedewerkers van de brandweer van Tahoe City knielden naast me; ik vond het vreemd dat ze me dezelfde vragen stelden als de politieagent: 'Wat is uw naam? Weet u waar u bent? Weet u wat er is gebeurd? Waar doet het pijn?' Ik gaf ze dezelfde antwoorden als aan de agent, maar omdat ze hun vragen bleven herhalen, dacht ik dat ze een soort spelletje speelden of iets dergelijks. Het drong niet meteen tot me door dat ze me niet konden horen. Ik raakte gefrustreerd toen ik probeerde tegen ze te praten. Ze rommelden wat met één van de tassen die ze hadden meegebracht en haalden er een schaar uit, waarmee ze mijn nieuwe jas begonnen door te knippen. Ik probeerde ze wanhopig te stoppen, want ik had die jas net gekocht. Blijkbaar lukte het me wel om ze zover te krijgen dat ze de jas uittrokken, maar eerlijk gezegd kan ik me dat niet meer herinneren.

Vervolgens knipten ze mijn shirt open. Ik herinner me dat shirt als een gebreid exemplaar met strepen. Toen ze de afgeknipte stukken stof voor het eerst weghaalden, begon ik te beseffen wat me was overkomen. Toen ik op mijn borst neerkeek, zag ik dat mijn linkerschouder op groteske wijze uit de kom was geraakt en bijna in het midden van mijn borstkas zat; mijn schouder bevond zich onder mijn tepel. Elke beweging was pijnlijk geworden. Alles wat de ambulancemedewerkers met me deden, deed vreselijk pijn; ik probeerde te schreeuwen, maar kreeg niet genoeg lucht om dat te kunnen doen.

Terwijl ik naar mijn misvormde lichaam keek, kreeg ik het gevoel dat ik helemaal niet naar mijn eigen lichaam keek. Misschien kwam het door de shock, of door iets anders, maar op dat moment begon het allemaal heel vreemd te worden. Ik herinner me dat ik al mijn energie op mijn ademhaling richtte, omdat ik simpelweg niet genoeg lucht kreeg. Ook mijn zicht was vreemd; de lucht leek wat wazig, alsof ik de lucht zelf kon zien. Ik keek naar mijn mismaakte lichaam en besefte dat mijn perspectief veranderd was. Zo begon ik te beseffen dat ik ernstig gewond was – er was meer aan de hand dan alleen een gebroken bot. Het leek alsof ik naar de ambulancepersoneelsleden en mijn schouder keek vanuit een punt vlak boven de plek waar mijn schouder hoorde te zitten: links van en net boven mijn linkeroor. Dit versterkte mijn verwarring. Ik herinner me dat ik met de hulpverleners sprak en ze recht in de ogen keek, maar dat kon eigenlijk niet; zij stonden boven me, terwijl ik plat op mijn rug lag. De aanblik van mijn lichaam en alle verwarring leken me te veel te worden, en ik probeerde weer in slaap te vallen. Maar dit keer was ademhalen moeilijker dan ooit.

Ik vond het fijn om te slapen; het was de enige manier om de pijn te laten verdwijnen. Wakker zijn betekende pijn voelen, en die pijn leek elk ander gevoel te hebben verdrongen. Het deed pijn om te ademen en om te proberen te praten; mijn hoofd deed pijn door het onvermogen om met de ambulancemedewerkers te communiceren; en mijn schouders, borst, nek, rug en buikspieren deden pijn door de pogingen om lucht in mijn verbrijzelde borstkas te zuigen – al die lichaamsdelen waren zwaar beschadigd.

Dit leek op geen enkele pijn die ik eerder had gevoeld. Het was een droge, scherpe, brandende pijn – als een snijwond die maar bleef snijden, of een brandwond van binnenuit. De pijn werd niet minder toen de hitte wegtrok; hij werd juist erger en bleef aanhouden. Stil blijven liggen hielp niet om er vanaf te komen. Ook de ambulancemedewerkers bewogen me; ze tastten mijn lichaam af, op zoek naar verwondingen. Er was geen verlichting van deze pijn mogelijk.

Ik had zoveel energie in het ademen gestoken dat het me uitputte; ademen deed pijn. Hoe hard ik ook probeerde, het lukte me gewoon niet om adem te halen, en het werd steeds zwaarder. Ik begreep er werkelijk niets van; het was zo verwarrend. Ik was uitgeput – niet zoals na een zware dag werken of spelen, maar met een uitputting die een heel leven omvatte. Tijdens de slaap hield de pijn in mijn lichaam op. En er was nog iets anders in die slaap. Het begon heel zachtjes, vanuit een verre plek diep in mij, maar kwam steeds dichterbij naarmate ik langer sliep. Het ritme van mijn ademhaling leek op dat moment het enige te zijn waar ik me nog van bewust was.

Ik zeg wel dat ik sliep, maar eigenlijk raakte ik buiten westen door een combinatie van pijn, zuurstofgebrek en shock – of waarschijnlijk door dat alles tegelijk. Toch was ik me er op de een of andere manier van bewust. Ik voelde mijn moeizame ademhaling: in, uit, en steeds trager; de ademteugen leken ontzettend lang te duren. Eén ademteug in het bijzonder is me bijgebleven. Ik herinner me niet zozeer het inademen, maar wel heel levendig het uitademen.

Met deze ademhaling leek ik wel erg veel lucht uit te blazen. Ik weet niet waar die enorme hoeveelheid lucht vandaan kwam, maar het voelde alsof ik langzaam en volledig uitademde – vollediger dan bij welke ademhaling dan ook die ik ooit had ervaren. Sterker nog: ik bleef uitademen, zelfs nadat alle lucht mijn enige overgebleven long leek te hebben verlaten. Tijdens het uitademen voelde ik beweging. Het was alsof ik de lucht kon voelen zodra die mijn lichaam verliet; ik *was* zelfs de lucht die uit mijn lichaam stroomde. Ik voelde hoe ik me losmaakte van mijn lichaam. Dit is lastig te beschrijven en was op dat moment behoorlijk desoriënterend: ik bewoog mijn lichaam uit, mee met die laatste ademteug. Op de één of andere manier voelde ik hoe mijn 'ik' – wat dat ook mocht zijn – het lichaam op de bank verliet met een soort suizende beweging. Dit nieuwe gevoel concentreerde zich in mijn hoofd; het was alsof ik uit mijn gezicht werd gezogen door een soort vacuümkracht die die laatste ademteug naar zich toe trok.

De pijn was verdwenen, maar ik sliep niet. Ik kon zien. Ik kon nog steeds zien hoe de ambulancemedewerkers tegen me praatten. Ze wisten dat ik was gestopt met ademen; ze spraken met elkaar en één van hen zei dat ik bij hem moest blijven. Inmiddels keek ik hen recht in de ogen. Langzaam leken hun gezichten onder mij weg te zakken; al snel keek ik neer op de ambulancemedewerker die het meeste aan het woord was. Dit was erg verwarrend; ik begon te beseffen dat er iets heel vreemds aan de hand was – inderdaad vreemd, maar toch ook enigszins vertrouwd. Ik wist dat er iets niet klopte aan deze situatie, omdat ik wist dat ik op de bank lag. Ik wist dit, omdat ik wist dat ik niet was opgestaan. Ook wist ik het, omdat ik eerder had geprobeerd rechtop te gaan zitten en me besefte dat de toestand sindsdien steeds slechter was geworden. Bovendien wist ik dat ik niet meer sliep. Ik concentreerde me erop mijn blikveld naar de bank te draaien. Wat ik tot op de dag van vandaag vreemd vind, is dat ik niet verbaasd was toen ik mijn lichaam onder mij zag liggen.

This 'awareness' changed things. I don't believe I knew I was dying just yet, but I did know that this was serious. At first, once I realized that I was not in my body anymore, there was a moment of panic. Not a panic of fear, more of disorientation. I felt disorientation as though I were standing on ice, having slipped unexpectedly, arms flapping for balance, just regaining my feet, afraid to move for fear of slipping again. There was a certain sense of weightlessness, like the top of the arc of a high dive into the water.  Or when an elevator starts to descend unexpectedly. These strange sensations seemed to linger for a moment, just long enough to be noticed when the scene continued to change yet again.

Dit 'besef' veranderde de situatie. Ik geloof niet dat ik op dat moment al wist dat ik aan het sterven was, maar ik wist wel dat het ernstig was. Toen ik eenmaal besefte dat ik niet meer in mijn lichaam zat, ontstond er aanvankelijk paniek. Geen paniek uit angst, maar eerder een gevoel van desoriëntatie. Het voelde alsof ik op het ijs stond na een onverwachte uitglijder: ik zwaaide met mijn armen om mijn evenwicht te bewaren, had net weer vaste grond onder de voeten gekregen, maar durfde niet te bewegen uit angst opnieuw uit te glijden. Er was een zeker gevoel van gewichtloosheid, zoals op het hoogste punt van een sprong van de duikplank, of wanneer een lift onverwacht begint te dalen. Deze vreemde gewaarwordingen leken even te blijven hangen – net lang genoeg om opgemerkt te worden – voordat het tafereel opnieuw veranderde.

Ik had het gevoel dat er beweging was – niet per se beweging van mijn kant, maar de ruimte om me heen begon te vervormen. Ik zag de ambulancemedewerkers en mezelf; mijn gezichtsveld verbreedde zich tot de hele kamer en ik zag de anderen – ook de politieagent – ​​maar alles was vervormd. Het leek alsof de kamer in de lengte werd uitgerekt, alsof ik me tegen het plafond bevond terwijl dat omhoog bewoog. Het was een gewone kamer met een plafond van zo'n tweeënhalve tot drie meter hoog, maar ik zag de ruimte alsof het plafond wel negen meter omhoog was gerezen. Op dat moment verschoof de ervaring: de vervorming van mijn gezichtsveld maakte plaats voor een gevoel van beweging. Ik had het gevoel dat ik werd weggetrokken. Niet zozeer dat ik hoogte won, maar dat ik losraakte van het tafereel. Het was alsof de wereld zich van mij verwijderde en ik deel ging uitmaken van iets anders, iets dat mij weer tot zich nam.

Ik keek neer op de mensen in de kamer. Ook zij zagen er op de een of andere manier anders uit. Het was alsof hun contouren waren omlijnd met een krijtje van licht, waardoor er een soort gloed rond de lijnen van hun lichamen ontstond. De lucht was veranderd in een paarsachtige waas, alsof de luchtmoleculen doorschijnend paars waren. Ik kon de lucht zien; vervolgens nam ik een soort sissend geluid waar en een vreemd gevoel van duisternis, terwijl ik door wat het plafond moet zijn geweest, omhoog zweefde. Ik bevond me nu in de storm; ik voelde de sneeuw vallen terwijl ik steeds verder opging in iets waarmee ik verbonden was. Er ontstond een gevoel van enorme aantrekkingskracht. Ik zou het niet precies snelheid noemen; het was meer alsof de wereld zich in hoog tempo van mij verwijderde, en ik van haar. Het tafereel onder mij leek zich in een oneindige vervorming uit te strekken.

Hoewel het moeilijk te beschrijven is, leek het alsof de kamer, het gebouw en de sneeuwstorm op een bol van stof werden geprojecteerd. Ik steeg op naar de top van deze bol; het tafereel vervormde daarbij – als een laken dat tussen twee vingers van een bed wordt opgetild – en raakte uit zijn verband terwijl ik omhoog ging en de hoogte in werd getild, waarbij het laken van de wereld om me heen hing en steeds sterker vervormde naarmate ik hoger steeg.

Ik keerde terug naar waar ik vandaan kwam. Ik kan dit gevoel niet goed onder woorden brengen, maar ik kende deze plek; het was vertrouwd en ik was er al eerder geweest. Niet dat mijn lichaam en de wereld vreemd voor me waren of plekken waar ik niet thuishoorde – ook die waren vertrouwd. Maar de plek waar ik naartoe bewoog, voelde als thuis: niet als mijn huidige thuis, maar als een herinnering aan thuis uit mijn kindertijd, toen mijn moeder voor me zorgde. Ik had het gevoel dat men mij verwachtte en dat er open armen op me wachtten.

Op dat moment besefte ik dat er een grote reis gaande was. Een reis die ik net was begonnen en waarbij nog een enorme afstand moest worden afgelegd, waarvan ik slechts een deel had afgelegd. Ook mijn zintuiglijke waarneming veranderde tijdens deze beweging. Ik nam geen beelden, temperaturen of bewegingen meer waar. Ik voelde geen pijn en ik kan me ook niet herinneren dat ik iets hoorde. Het enige wat ik me van dat moment herinner, is een diep gevoel van liefde. Het was dieper dan ik ooit eerder had ervaren, en toch was het een vertrouwd gevoel; ik herkende het als liefde. Het leek vanuit alle richtingen op mij af te komen en tegelijkertijd vanuit mijzelf naar buiten te stralen. Het was een warm en troostend gevoel, een staat van volmaakt welzijn.

Ik had ook het gevoel dat er een zware last van me af was gevallen. Ik was hier al eerder geweest. Inmiddels wist ik waar ik was, al kan ik de plek niet bij naam noemen. Ik was teruggekeerd naar de plek van herkomst, en ik weet niet hoe die heet. Hoewel ik er vele benamingen voor heb gehoord – het had de hemel kunnen zijn, het vagevuur, een soort samadhi of een collectief van zielen – weet ik zelf niet hoe ik het moet noemen. Ik zal proberen het te beschrijven zoals ik het me herinner, omdat ik geloof dat het een label geven neerkomt op het toeschrijven van een naam die slechts een deel van de werkelijkheid dekt. ​​Ik was hier al eerder geweest.

Ik was niet langer alleen; ik voelde de aanwezigheid van een ander. Het was alsof onze gevoelens, emoties en kennis op de één of andere manier waren samengesmolten. Toen klonk er een stem. Het woord 'stem' is hier interessant, aangezien ik geen gehoor had – en vermoedelijk ook geen oren, al herinner ik me niet goed hoe mijn 'lichaam' op die plek eruitzag. Het was eerder een gedachte in mijn geest, maar niet één van mijzelf; het was de gedachte van een ander. Er was sprake van een soort telepathie, maar die voelde heel natuurlijk en vertrouwd aan. Niet alleen de telepathische communicatievorm was vertrouwd, maar ik herkende ook de specifieke persoon met wie ik die gedachten deelde.

Het is onduidelijk hoe het begon; ik weet alleen dat die eerste boodschap bij mij een reeks gevoelens over mijn leven teweegbracht. Het was het spreekwoordelijke moment waarop 'je leven aan je voorbijtrekt' – of een 'levensreconstructie', zoals ik het sindsdien heb horen noemen. Ik zou het omschrijven als een lange reeks gevoelens die voortkwamen uit talloze handelingen in mijn leven. Het verschil was dat ik niet alleen die gevoelens opnieuw ervoer, maar ook op een empathische manier aanvoelde wat de mensen om me heen – die door mijn daden waren geraakt – voelden. Met andere woorden: ik voelde ook wat anderen over mijn leven voelden. De meest overweldigende van die gevoelens was afkomstig van mijn moeder.

Dit gevoel gaf me het idee dat ik nog onafgemaakte zaken in het leven had. Het verdriet dat ik bij mijn moeder en vrienden waarnam, was intens. Ondanks mijn moeizame leven had ik veel vrienden, van wie sommigen heel hecht met me waren. Ik was een bekend gezicht – zo niet populair – en ik kon aanvoelen wat er allemaal over mijn leven en dood werd gezegd. Het verdriet van mijn moeder was overweldigend.

Er waren ook andere gevoelens, afkomstig van schoolvrienden; eigenlijk reageerde vrijwel de hele schoolgemeenschap op het nieuws van mijn dood. Ik kon talloze gedachten, verdriet, rouw en gebeden waarnemen. Ook de gedachten van verdere familieleden kon ik voelen. Zelfs mensen die ik niet eens kende, waren geraakt: buurtbewoners en mensen die het nieuws hadden gelezen of op de radio hadden gehoord. Op de één of andere manier kon ik alle gevolgen van mijn dood tegelijkertijd voelen. Elke gedachte was een afzonderlijk gevoel, maar belangrijker nog: ze vormden samen één overkoepelend gevoel. Het ging niet zozeer om een ​​oordeel over de betekenis van mijn leven, maar eerder om hoe ik – en anderen – tegen mijn daden tijdens mijn leven aankeken. Ook werd er over die gevoelens niet geoordeeld; we beleefden ze samen.

Ik werd me opnieuw bewust van de gedachten van de ander. Deze ander had dezelfde gevoelens op hetzelfde moment en op dezelfde manier ervaren als ik zojuist had gedaan. Het was alsof we samen naar een film hadden gekeken en onze gevoelens daarover bespraken. In plaats van een film die we alleen maar zagen, konden we deze film voelen. Ik kan niet zeggen of dit God was, mijn spirituele gids, Jezus of een familielid. Voor mijn gevoel liggen ze zo dicht bij elkaar dat het niet echt relevant is om een ​​bepaald label op deze ander te plakken. Op dat moment voelde de ander eigenlijk meer als een heel goede vriend. Ik kan met zekerheid zeggen dat deze stem en ik op dat moment op een diepgaande manier samen waren, en dat we dat altijd zijn geweest en altijd zullen blijven. In die zin sluit het aan bij wat ik in de Bijbel over God heb gelezen. Ik heb ook soortgelijke dingen gelezen over beschermengelen, spirituele gidsen en het hogere zelf. Tijdens deze uitwisseling hield ik me niet bezig met labels.

Ik moet proberen te verwoorden wat niet in woorden te vatten is. Deze plek maakte deel uit van mij, en ik van haar. We zijn en waren niet gescheiden – zelfs nu ik deze woorden schrijf, jaren na die ervaring, zijn deze plek en ik nog steeds één. Daar zijn betekende bestaan ​​als liefde: binnen de liefde, en niets anders kennen dan liefde. Het voelde alsof de emotie van de liefde datgene was wat ik – zowel aan het begin als uiteindelijk – altijd al ben geweest. Liefde is wat ik altijd ben geweest. En om dit door te trekken naar het menselijk bestaan: we zijn allemaal op deze manier met elkaar verbonden, binnen deze plek die alles en iedereen omvat; leven is liefde en liefde is leven. Elk atoom in het universum is op deze wijze verbonden.

Terwijl ik bij mijn lichaam vandaan zweefde, was ik me op de één of andere manier bewust van de luchtmoleculen – niet op wetenschappelijke wijze, maar zodanig dat er een verbinding bestond tussen die moleculen en wat ik was geworden, of liever gezegd: wat ik altijd al was geweest. In die gemoedstoestand ben ik altijd met alles verbonden. Ik heb – in gesprekken over mijn ervaring – ook altijd gezegd, en blijf dat volhouden, dat wat er werkelijk aan de hand is, vele malen groter is dan alles wat ik ooit in de kerk of via literatuur en andere media had ervaren. Het overstijgt het menselijk uitdrukkingsvermogen. In mijn bewustzijn werd ik – of keerde ik terug tot – een deel daarvan.

Nadat de gevoelens van een kort leven de revue waren gepasseerd, ging de gedachtewisseling verder. De vraag werd in mijn geest gelegd: 'Wil je blijven?' De stem leek eigenlijk vele vragen tegelijk te stellen. In die vraag bespeurde ik talloze verschillende betekenissen: 'Ben je klaar met dit leven? Wil je het werk voltooien dat je in dit leven moest doen? Wil je dat je dierbaren dit verdriet moeten doorstaan?' Dit alles werd in een oogwenk gevraagd, in één enkele gedachte. Ik herinner me dat de keuze aan mij was – volledig uit eigen vrije wil – maar ik heb ook het gevoel dat de gevolgen en uitkomsten van beide beslissingen in die vraag besloten lagen. Bij elke variant van de vraag voelde ik de emoties en de gevolgen die mijn beslissing met zich mee zou brengen. Het verdriet dat mijn moeder zou voelen bij het nieuws van mijn dood, overheerste mijn gevoelens. Ergens onder dat overweldigende verdriet bevond zich echter ook een besef van plicht en van werk dat nog gedaan moest worden.

Hoewel de dialoog en de beelden van deze uitwisseling in sommige opzichten misschien moeilijk waren, moet ik de nadruk leggen op de sfeer van overweldigend mededogen en liefde waarin deze plaatsvond. Het was in feite het meest vredige en serene moment van mijn leven. Ik kan niet goed onder woorden brengen hoe natuurlijk en goed deze ervaring aanvoelde. Op die plek, in het bijzijn van dit wezen, was alles meer dan in orde. Er was direct sprake van acceptatie en begrip voor al mijn gevoelens, gedeeld met dit wezen dat onvoorwaardelijk van mij hield.

Wat er verder nog werd gevraagd, is me inmiddels ontschoten, maar mijn reactie op de vraag was: 'Als ik terugga, kan ik dan later hierheen komen? Blijft het altijd zo?' Het antwoord volgde onmiddellijk; blijkbaar had ik een besluit genomen en was het effect direct merkbaar. Ik had een zuurstofmasker op en worstelde om bij te komen. Ik wist dat ze van plan waren met reanimeren te beginnen, maar dat wilde ik niet, omdat ik opnieuw hevige pijn in mijn borst had. Toen ik bijkwam, hield een ambulanceverpleegkundige een ampul met ammoniak onder mijn neus; hij had het zuurstofmasker iets omhoog geschoven, zodat het gedeeltelijk over mijn ogen viel. De pijn bij het ontwaken was onbeschrijfelijk. Ik slaakte een zwakke, angstaanjagende kreet. Dit keer kon de verpleegkundige me horen; hij stopte met het steeds maar herhalen van dezelfde vraag. Dit keer sprak hij echt tegen me. Zijn nieuwe mantra staat me nog glashelder bij, net als de rest van mijn ervaring. Hij zei: 'Niet weer in slaap vallen, Mark.' Hij zou deze woorden de hele rit naar het ziekenhuis blijven herhalen, op een toon die getuigde van veel routine.

De zuurstof was blijkbaar net genoeg. Ondanks het trauma aan mijn borstkas had ik nog steeds één goed functionerende long. Ik geloof dat die ene long op zichzelf niet voldoende zou zijn geweest om me in leven te houden, vanwege de druk van mijn schoudergewricht en de daarmee gepaard gaande bloedingen boven op die 'goede' long en de ribben. De zuurstof had mijn wanhopig zuurstofarme hersenen en bloed echter de oppepper gegeven die nodig was om in leven te blijven. De ambulanceverpleegkundige had me van de dood gered, al zou ik in de maanden daarna nog spijt krijgen van zowel zijn handelen als mijn eigen beslissing. De pijn was in alle hevigheid teruggekeerd.

Ik kan me niet herinneren dat ze me op de brancard legden; ik geloof dat ik een tijdje heb geslapen. Het volgende dat ik me herinner, is sneeuw die op mijn gezicht viel terwijl ze me vanuit het huis door de sneeuw naar de ambulance sleepten en droegen. Op een gegeven moment voelde ik een harde schok, doordat ze me lieten vallen of doordat de wielen van de brancard over een grote hobbel reden.

Ik vloekte luid om deze nieuwe pijn, en ik herinner me nog goed aan de reactie van de ambulancemedewerkers dat dit waarschijnlijk de eerste keer was dat ze mijn stem hoorden. Ze stopten; één van de mannen boog zich dicht over me heen en legde zijn oor bij mijn mond. Ik denk niet dat hij iets verstond, want hij vroeg een paar keer: "Wat?" De paarse waas keerde terug; ik staarde de storm in en voelde hoe ik opnieuw weggleed. Volgens mij wilde ik hem duidelijk maken dat ik zou sterven als ze me bleven laten vallen. Op een bepaalde manier wilde ik dat hij wist dat ik woedend was en zou vertrekken als hij me pijn bleef doen. Er kwam echter geen geluid over mijn lippen; ik was druk bezig mijn lichaam te verlaten, precies op het moment dat hij zijn oor bij mijn mond hield.

Ze kwamen weer in beweging. De pijn was ondraaglijk. Nog een paar schokken en ik lag in de ambulance. Normaal gesproken duurt de rit van Lake Forest naar het Tahoe Forest Hospital in Truckee een half uur of minder, maar vandaag leek de rit eindeloos en was hij ontzettend hobbelig. Het duurde een eeuwigheid. Ik wilde zo graag slapen. De wegen waren verschrikkelijk, er woedde een sneeuwstorm en de ambulance reed op sneeuwkettingen; het geschud en gerammel was een ware kwelling voor mijn kwetsbare, verbrijzelde lichaam. Ondertussen bleef mijn vriend – de ambulanceverpleegkundige – zijn mantra herhalen: "Hoe gaat het, Mark? Je moet wakker blijven, oké vriend? We zijn er bijna." Na nog wel honderd keer "Niet weer in slaap vallen, Mark" te hebben gehoord, deed zelfs de andere hulpverlener mee, precies op het moment dat de zuurstof me de kracht gaf om te protesteren. Volgens mij wist ik eruit te brengen: "Het doet geen pijn als ik slaap," waarop het koor antwoordde: "We moeten wakker blijven, oké vriend?" Ik wilde de sneeuwkettingen van de ambulance halen en de hulpverleners ermee wurgen; ik wilde gewoon buiten in de sneeuw gaan liggen. Ik wilde slapen.

Achtergrondinformatie:

Geslacht: Man

Datum BDE: 17 december, 1979

Was er een levensbedreigende gebeurtenis op het moment van de ervaring? Ja.   Ongeval. Ik werd verpletterd tussen een jeep en een telefoonpaal, waarbij ik ernstig letsel aan mijn romp opliep: inwendige schade, botbreuken, bloedingen en een klaplong. O ja, ook nog een verrekte nek – een whiplash opzij – en mogelijk een gekneusde aorta?

BDE elementen:

Hoe schat je de inhoud in van je ervaring? Prachtig.

Voelde je je afgescheiden van je lichaam? Ik verliet duidelijk mijn lichaam en bestond er los van.

Hoe was je hoogste peil van bewustzijn en alertheid tijdens de ervaring in vergelijking tot je normale, alledaagse bewustzijn en alertheid? Meer bewustzijn en alertheid dan normal.   Een bestaan ​​buiten de zintuigen en buiten de tijd om is moeilijk uit te leggen. Ik was nog steeds mezelf; ik had herinneringen en een identiteit, maar ik bevond me niet in deze wereld en zat niet in een lichaam. Mijn geest was 'versmolten' met het universum; ik was teruggekeerd naar de plek waar ik vandaan kwam, naar 'de Plaats' waar ik was voordat ik werd geboren. Het normale, dagelijkse leven gaat gepaard met gewaarwordingen van temperatuur, zicht, gehoor en het voelen van mijn huid, kleding en de wind – niets daarvan was aanwezig tijdens mijn afwezigheid.

Op welk moment tijdens je ervaring was je op je hoogste peil van bewustzijn en alertheid? Tijdens het telepathische gesprek met 'De Andere', waarin we bespraken of ik zou blijven of zou terugkeren naar het leven.

Werden je gedachten sneller? Ongelooflijk snel.

Leek het alsof de tijd sneller of trager ging? Alles leek ineens te gebeuren; of tijd leek te stoppen of verloor alle betekenis. Alle tijdstippen bestonden gelijktijdig. In zekere zin was er geen tijd – tijd was betekenloos – maar er was wel een besef van een plek waar tijd wél bestond; voor die momenten daarbuiten echter, op 'die plek' met 'de ander', was er geen tijd en is het geen relevante vraag.

Waren je zintuigen scherper dan gewoonlijk? Ongelooflijk scherper.

Vergelijk je zicht tijdens de ervaring met je alledaags zicht die je had net vóór het moment van de ervaring. Ja. Het was alsof ik de lucht kon zien; ik meen me ook te herinneren dat ik dingen zag terwijl ik door het plafond 'zweefde'. Het was alsof ik atomen kon zien – niet als vaste deeltjes; ik kon ze eigenlijk meer dan alleen zien, ik kon ze ook voelen.

Vergelijk je gehoor tijdens de ervaring tegenover je alledaags gehoor die je had net vóór het moment van de ervaring. Ja. Er veranderde wel degelijk iets, en ik hoorde een bepaald sissend geluid – misschien waren er ook wel knisperende of ritselende geluiden, zoals wanneer je op een koude winterochtend een koude krant verfrommelt om hem in de houtkachel van het slaapverblijf te stoppen. Dat geluid ging gepaard met het besef dat ik buiten mijn lichaam was en met de eerste tekenen van een gevoel van beweging.

Leek jij je bewust te zijn van zaken die elders gebeurden, zoals een buitenzintuiglijke waarneming? Ja en de feiten zijn gecontroleerd geweest.

Ben je in of door een tunnel gegaan? Onduidelijk.  Ik zou eerder zeggen dat het een vervorming was. Het was alsof de wereld zich van mij af uitrekte – alsof ik bij de middenmast van een circustent stond die steeds hoger werd, waardoor de wanden van de tent in steeds steilere hoeken kwamen te staan ​​en zich tot in het oneindige uitstrekten, als een lange lijn.

Was je je bewust van of ben je overleden (of levende) wezens tegengekomen? Onduidelijk.  Er was sprake van de aanwezigheid van 'de ander', maar ik geloof niet dat ik naar die ander heb gekeken, of ik herinner me niet dat ik ernaar heb gekeken. We communiceerden echter vrij effectief zonder visuele prikkels.

Ik heb sindsdien talloze entiteiten gezien; sommige zouden als engelen kunnen worden omschreven (menselijke gedaanten met vleugels), en andere noem ik 'wezentjes'.

Heb je een helder licht gezien of gevoeld dat het je omringde? Een licht dat duidelijk van mystieke of niet-aardse origine was.

Heb je een onaards licht gezien? Onduidelijk.  Ik zag paarse stralen voorbij 'zoeven'; ik heb altijd gedacht dat het een vertekening door de sneeuwstorm of de atmosfeer zou kunnen zijn geweest tijdens de 'snelle beweging' nadat ik de plek waar het lichaam en de ambulancemedewerkers zich bevonden, had verlaten.

Sindsdien heb ik meerdere keren een ongelooflijk blauw-wit licht gezien dat 360 graden uitstraalt.

Leek het alsof je een andere, onaardse wereld binnendrong? Een duidelijk mystiek of onaards gebied.

Welke emoties voelde je tijdens de ervaring? Een diepe, intense, onbeschrijfelijke liefde. Ik voelde ook verdriet en spijt bij sommige gebeurtenissen terwijl 'de ander' en ik de levensreconstructie bekeken – of moet ik zeggen: *voelden*? Het was alsof je naar een film keek waarin je niet alleen de emoties van de personages in de film kon voelen, maar ook die van de mensen (ikzelf en 'de ander') die naar de film keken. De gevoelens die ik tijdens die levensreconstructie ervoer, speelden een grote rol bij mijn besluit – of liever gezegd: mijn 'afspraak' – om terug te keren.

Had je een gevoel van vrede of vrolijkheid? Ongelooflijke vrede of plezier.

Had je een gevoel van vreugde? Ongelooflijke vreugde.

Had je een gevoel van harmonie of eenheid met het universum? Ik voelde me verenigd of één met de wereld.

Leek je opeens alles te verstaan? Alles over het universum.

Heb je beelden gezien uit je verleden? Mijn verleden flitste zich voor mijn ogen, buiten mijn controle.

Waren er beelden uit de toekomst? Beelden van de toekomst van de wereld.     I believe I know a great many things but they are not easily recalled. For some reason random seemingly meaningless events are revealed in strange sequences - if for no other reason than to remind me that all points in time co-exist somewhere, though my access to this seems random.

Ik geloof dat ik heel veel weet, maar die kennis is niet zomaar paraat. Om de één of andere reden openbaren willekeurige, ogenschijnlijk betekenloze gebeurtenissen zich in vreemde reeksen – al was het maar om me eraan te herinneren dat alle tijdstippen ergens naast elkaar bestaan, ook al lijkt mijn toegang daartoe willekeurig.

Kwam je aan een obstakel of een fysieke structuur die je tegenhield? Onduidelijk.  Ik kwam aan een barriere waar ik geen toegang kreeg om verder te gaan; ik werd teruggezonden tegen mijn zin.  Het werd niet gepresenteerd als een fysieke grens, al denk ik dat het dat wel zou kunnen zijn als ik langer was gebleven. Er werd me simpelweg een keuze voorgelegd, maar die keuze was gebaseerd op tal van factoren. Allereerst kreeg ik in een levens-terugblik te zien hoe iedereen die mij kende zou reageren als ik zou blijven; daarna volgde een soortgelijke terugblik op wat me bij terugkeer te wachten zou staan. Al weet ik niet zeker of ik me veel van de getoonde zaken mag herinneren voor het geval ik zou terugkeren – het klinkt als een slecht sciencefictionverhaal, maar zo lijkt het wel.

God, Spiritueel en Religie:

Wat was je godsdienst vóór je ervaring? Onduidelijk.  Luthers opgevoed.

Zijn je religieuze gewoonten veranderd sinds je ervaring? Ja. UITGEBREID. Ik geloof dat er in het leven vele wegen zijn om goddelijke kennis te verwerven, maar ik heb moeite met het praktiseren van een gevestigde religie. Ik geloof dat ik meer geloof hecht aan – en serieuzer omga met – God, de ziel en het goddelijke dan de auteurs en geestelijken van de wereldreligies. Mijn geloof komt voort uit wat ik beschouw als een directe ervaring van de innerlijke werking van Gods goddelijke weefsel: het bestaan ​​zelf. Dat is nogal lastig te vatten door je op zondagochtend netjes aan te kleden.

Welke godsdienst beoefen je nu? Liberaal.   Zeer spiritueel; omarmt kenmerken van vele religies.

Veranderden je waarden en overtuigingen door de ervaring? Ja. UITGEBREID. Ik geloof dat er in het leven vele wegen zijn om goddelijke kennis te verwerven, maar ik heb moeite met het praktiseren van een gevestigde religie. Ik geloof dat ik meer geloof hecht aan – en serieuzer omga met – God, de ziel en het goddelijke dan de auteurs en geestelijken van de wereldreligies. Mijn geloof komt voort uit wat ik beschouw als een directe ervaring van de innerlijke werking van Gods goddelijke weefsel: het bestaan ​​zelf. Dat is nogal lastig te vatten door je op zondagochtend netjes aan te kleden.

Leek het alsof je een mystiek wezen of aanwezigheid ontmoette? Of een stem hoorde die je niet kon identificeren?     Ik zag duidelijk een wezen of ik hoorde duidelijk een stem van mystieke of onaardse origine.

Zag je overledenen of religieuze geesten? Ik zag hen duidelijk.

In verband met onze levens op Aarde niet gerelateerd aan godsdienst:

Verkreeg je tijdens je ervaring speciale kennis of informatie over je doel? Ja, ik wist alles. Alles wat ooit heeft bestaan ​​of ooit zal bestaan, maakte deel uit van mij, en ik van het.

Zijn je relaties specifiek veranderd door je ervaring? Ja.  Ik koester een diepe, universele liefde voor de mensheid en voel me verbonden met de mensheid en het leven in het algemeen – dit verschilt aanzienlijk van vroeger, al had ik wellicht al wel enig besef van deze zaken, aangezien ik inmiddels de redenen en het belang ervan heb leren inzien. Ik breng het niet zo goed in de praktijk als ik zou willen, maar ik doe mijn best.

Na de BDE:

Was de ervaring moeilijk te verwoorden? Ja.  De overweldigende liefde en het begrip, de vorm van telepathie-achtige communicatie; het besef dat er geen tijdscontinuüm bestaat; de wetenschap verbonden te zijn met alle materie; de ​​enorme hoeveelheid kennis die aanwezig is op een moment buiten de tijd; de herinneringen aan de 'plek' waarheen ik terugkeerde; de ​​kennis over de werking van het universum en het leven. Voor zoveel van deze zaken zijn nauwelijks woorden te vinden.

Heb je helderziende, ongewone of andere speciale gaven gekregen na je ervaring die je niet had vóór je ervaring? Ja. Talrijk en aanhoudend:

Geesten (waargenomen door het hele gezin).

Poltergeists (waargenomen door het hele gezin).

Buitengewone visioenen (tijdens wakkere meditatie).

ESP: het vermogen om gedachten te lezen, te weten wat iemand gaat zeggen voordat diegene het uitspreekt, te weten wanneer mensen liegen, enzovoort.

Visioenen hebben van toekomstige gebeurtenissen – zeer willekeurig en onvoorspelbaar, maar heel reëel.

Empathische waarneming: de gevoelens van anderen aanvoelen.

In staat om bepaalde soorten genezing uit te voeren (Empathische waarneming, de gevoelens van anderen voelen.

In staat om mijn hart met mijn gedachten te stoppen.

In staat om de werking van de machine te beïnvloeden.

Vermogen om elektronica waar te nemen.

In staat om elektronenstroom te voelen.

Zie engelen tijdens meditatie.

Zie sterrenbeelden met gesloten ogen tijdens meditatie.

Tijdens meditatie ondergedompeld in blauw-wit licht.

Kan de tunnel zien.

Ik kan telepathisch communiceren: ik roep mijn dochter in gedachten en zij antwoordt hardop: "Wat? Pap, je riep me."

Remote viewing: het vermogen om te tekenen wat anderen zien.

Bekijk vrienden op afstand in toekomstige en afgelopen gebeurtenissen.

Maar door en door en door...

Is er één of zijn er verschillende delen van je ervaring die meer betekenis heeft/hebben voor jou? De verbondenheid van alle dingen is wonderbaarlijk. – Als er werkelijk iets in dit universum is dat heilig is, dan is het dit.

Een uitspraak die ik op allerlei manieren heb gedaan, luidt als volgt: wat er werkelijk gaande is, is vele malen groter dan welk religieus, fictief of door de menselijke geest verzonnen verhaal dan ook dat ik ooit heb gehoord. Wat er werkelijk speelt met ons, met het leven en met onze ziel, is eeuwig, oneindig en goddelijk. Het laat zich niet in woorden vatten.

Heb je ooit deze ervaring gedeeld met anderen? Ja.   Slechts een paar weken. In het begin lag mijn focus op de pijn en het herstel; ik had weinig contact met vrienden of familie, en morfine, medicatie en de pijn zelf zaten in de weg. De eerste reacties waren overwegend negatief; niemand begreep waar ik het over had en men dacht waarschijnlijk dat ik gek was. Sommigen waren verbaasd en geïnteresseerd, maar niet zeker over het meeste.

Had je kennis over bijnadoodervaring (BDE) vóór je ervaring? Nee.

Wat geloofde je over de echtheid van je ervaring kort nadat het gebeurd was? (dagen tot weken)     Ervaring was waarschijnlijk reëel. Ik had vreselijke pijn en de morfine en Demerol maakten me helemaal in de war. Het deed zo ontzettend veel pijn om terug te komen – en tientallen jaren later doet het nog steeds pijn.

Wat geloof je nu over de realiteit van jouw ervaring? Ervaring was zeker reëel.

Heeft er ooit iets in je leven je hetzelfde gevoel gegeven als jouw ervaring? Ja.  Nee, afgezien van meditatie lijken sommige visioenen er wel op, maar het is niet hetzelfde als niet ademen.

Is er nog iets dat je wil toevoegen over je ervaring? Elk leven eindigt in de dood – daar hoef je niet bang voor te zijn. Was het niet Peter Pan die zei: 'Sterven is het grootste avontuur'? Jullie zullen deze reis allemaal maken. Laat op het moment van de dood de angst los en geniet van de tocht.

Zijn er andere vragen die we kunnen stellen om jouw ervaring beter te begrijpen? Bij sommige vragen waren er meerdere antwoorden die op mij van toepassing waren.