|
|
Twintig Yaaren Laater: Herinneringen van mijn
Overleden En Het Gevolgende Invloed aan Mijn Leven
|
Geduurend de winter
studietijd van mijn onderling jaar (1976) op de University of Northern Colorado,
was ik aangescreven in een tennis klas. Het was te koud om buiten te spelen dus
wij sloegen de ballen tegen de muuren van de gym zaal binnen. Ik begon hoofdpijn
te krijgen dat steeds erger woord. Ik was bezorged dat het pijn zou voor mij
niet meer gedraagbaar zijn voor dat de klas over was. Ik had wat medicatie
meegenomen dat ik kon nemen als het pijn ernstig was. Ik had het voorheen maar
enkele keeren gebruikt. Ik voel er altijd 24 uuren in de slaap van. Ik moest
terug naar mijn studiekamer, maar ik kon niet langer wachten. Ik naam het
medicatie en wist dat ik zou er wel bij neervallen maar ik hoopte dat iemand mij
wel zou vinden en naar mijn kamer terug zou brengen.
Ik heb altijd van hoofdpijn gelijden en toen ik ouder werd was het steeds erger.
Ik was in het ziekenhuis veronderzocht voor hersen stornissen. De dokter
geloofde dat het vaast door spanning werd veroorzaakt. Ik begon daaglijks
Indernal te nemen en gebruikte Cafergot en Darvon iedere vier uuren voor de
pijn. Mijn hooftpijn duurde soms weken. Ik was erg bang van de pijn en was er
van overtuiged dat er iets ergs aan de hand met mij was en dat ik vaast niet
ouder als twintig zou worden. Toch werd ik twintig. Op mijn verjaarig begreep ik
dat ik moest doorgaan, naar de toekomst kijken, opgrooien. Het was ongeveer acht
maanden na deze kilometerpaal dat ik in de tennis klas het medicatie gebruikte
dat ik voor een tijd had bewaard toen het pijn mij teveel was. Ik sloeg de ball
steeds tegen de muur terwijl het medicatie mijn lichaam begon gevoeloos te
maken. Ik herinner nog mijn terugloop naar mijn studiekamer. Het was meschien
een loop van 15-20 minuuten maar ik herinner het maar als een ogenblik. Ik
loopte alleen, op de helling en langs de Campus Bookstore (boeken winkel). Toen
herinner ik in mijn studiekamer to zijn, bezorged over een papier dat
ingelevered moest worden. Ik had alleen nog even het onderwerp blad erbij te
zetten en dan was't klaar.
Ik begon te nadenken of ik wel mijn medicatie hept ingenomen of niet. Ik kon het
niet herinneren. Ik besloot dat ik had het vaast niet ingenomen omdat ik was
bewust en in pijn, dus ik naam een tweede deel ervan en toen ging zitten om mijn
papier af te maken. Enkele minuuten later voel ik voorwaarts op de typewriter.
Ik was nog bewust en had nog hooftpijn maar ik kon niet beweegen en kon niets
voelen beneden mijn nek. Ik laag daar, hulpeloos. Ik probeerde hulp te roepen
maar een vrouw was in de gang bezig met de stoffzuiger en niemand kon mij
hooren. Eindlijk deed zij de stoffzuiger af en toen roept ik weer en een jongen
hoorde mij. Voorzichtig kwam hij binnen en ik vroeg hem om mij op het bed te
helpen. Ik vertelde hem dat ik geparalizeerd was. Hij trekte mij van de
typewriter af en zet mij op in de stool maar toen laat hij mij weer los en voel
ik weer zwaar tegen de typewriter. Geraadzeled ging hij om hulp en kwam terug
met een vriend. Met zijn beiden en met veel moeite brachten ze mij op mijn bed.
Ik voel meteen in de slaap.
Terwijl slaapend werd ik bewust ervaan dat ik totaal vrij van pijn was. Ik
realizeede toen dat ik nooit in mijn leven zo bevrijd van lichaamlijk ongerijf
was als nu. Het was zoon overmachitige bewustheid. Ik voolde hooftpijn niet
meer, zelfs niet eens het bed onder mij, noch de kleren aan mijn lichaam of mijn
hoofd op't kussen. Het was zoon verlosing. Terzelfde tijd was ik overkomen met
vrede, tevredenheid, vreugde en lievde. Het voolde zo wonderbaarlijk. Ik kan het
op geen voledige manier uitlegen aan anderen het wonderijse gevoel, maar ik
herinner het nog duidelijk of is het nu twentig jaar geleden zinds die dag.
Een andere transformatie geberde in mijn verstand. Ik was buitengewoon opwaakt
en belanggesteld in deze ervaaring, maar mijn verstand was lang niet zoals het
verstand dat ik gewoonlijks had. Ik begreep voledig wat aan mij gebeurde- ik
wist dat ik dood was, maar ik voolde geen vrees, onzeekerheid of
overeenkomstigheid. Terwijl ik dit gevoel beleef, zaag ik mijn kamermaatje,
Trina, wie de kamer binnen liep. Ze zaag mij als "slaapende" in de lagere bed en
ze klimde in de bovenbed. Ik was verstelled hoe zij het bed beweegde, toch voeld
ik er niets van.
Ik zaag dat zij haar Bijbel open deed en begon Psalmen te lezen. Het was terwijl
ik over haar schouder keek dat ik begreep dat ik was niet langer in mijn
lichaam. Ik kijkte naar mij zelf op de lagere bed legen, weer naar Trina, en
dacht, "Zij weet niet eens dat ik dood bent!" Ik vond dat gedacht prettig.
Mijn aandacht ging van de kamer af en daar was een tijdje (echte tijd gevoel
bestond niet meer) dat ik in een staat van vrede gerust was. Het was mischien
tussen deze tijd dat wetenschap dat ik laater herkende mij gewaar werd, maar ik
heb geen herkening over het leren daarvan.
Ik had niet eens het gevoel van beweeging maar toch zaag ik een lichtje in de
verte en ik begrijpte dat ik in duister was en steeds dichter naar het licht
reisde. Als ik er nu over denk, was het net als toen ik een kind was en wij
onderzochten lange, buigende trein tunnels door de heuvels in de omgeven van
onze kostschool in Kenia. Die tunnels waren erg duister. Ik was er erg bang van
omdat het moielijk was om er in te zien, het geluid van de treinen en zorgen
over de vele vliegmuzen aanwezig daar. Ik herinner het gevoel van verlossing
toen ik op laatst een stipje van licht op het eind kon zien. Mijn vrees
verminderde zoals het licht grooter werd. Deze kinder herinnering is heel gelijk
aan wat ik nu voelde maar het inwendige gevoel kon niet meer anders zijn. Ik
ervaarde nu genoegen buiten wat mijn menslijk verstand ooit voorgesteld had.
Het licht werd grooter en het duister was nu achterwege. Ik kwam in het mooiste
plaats dat ik ooit heb gezien. Enkele jaaren eerder had ik de pracht van de Lake
District in Northern England gezien en stond ik daar van versteldt. Maar het
plaats waar ik nu was was veel mooier. Daar waaren een stel heuvelen en daalen
met door lopende riviertjes. Het gras was buitengewoon groen. Het was een
zonneschijn dag en ik lopte maar langs in mijn prachtige omgeving.
Ik was alleen maar niet echt bewust dat ik alleen was. Ik voelde mij niet
alleen, maar als ik aan die mooie heuvelen denk, had ik geen herinnering van een
andere persoon tot ik opmerkte een man achter een laage steenmuur staan. Er was
zoveel dat ik toen verstond. Ik had niet de beperkingen van het menslijk
verstand. Ik wist dat die man aan de andere zijde van de muur mij naar God toe
zou brengen. Ik wist dat mijn ervaring was gebaseerd op mijn nooden. Ik zaag een
persoon die ik zou kunnen vertrouwen. Een andere persoon zou zien wat was nodig
voor zich te zien. Voorheen, in mijn menslijk verstand had ik maar een vaage
verzameling van gedachten over het hiernaleven, maar nu dat ik er was, was ik in
een plaats ik herkende en de man was eimand tot mij bekendt. Ik wist waar ik
heen ging en wat zou gebeuren en ik was er over vroeilijk. De man was heel
gewoon gekleed, spijkerbroek met een los overhemdt. Hij was aardige, medelevend,
en had zijn aandacht op mij. Ik kijkte naar zijn ogen en onmiddelijk wist ik dat
het was nog niet mijn tijd. Ik stond verstelled, ik wist dat als ik over de muur
zou stapen dat ik dan verder kon- ik mocht nu keusen, maar hij en ik beide
wisten dat ik terug moest. Ik keek hem even aan, "het is mijn tijd nog niet," en
hij beantwoorde mij,"nay, nog niet".
Of zou het eindelose bladzijden nemen voor mij te bescrijven wat ik had ervaren
en geleerd toch was het als of het in een ogenblik gebeurde. Ik had maar een
klein deeltje van het heirna leven geprooven maar het was een levens
veranderende beleefte. Zo gauw als ik wist dat ik terug moest voelde ik mijzelf
tot mijn lichaam toe gegooied en met geweldt ingebotst. Het was een pijnlijk,
vreeselijk moment. Ieder keer als ik daar aan herinner, zelfs nu, na al deze
jaaren, huil ik er over. Ik kan niet geloven dat ik gekosen had om terug te
komen. Had ik vergeten het pijn, het vrees en de beperkingen van menslijkheid?
(Ya!) Hoe kon ik achterwege laten die vrede, lievde, vreugde en prachtigheid dat
ik toe gekomen had. Had ik maar over die muur gepasseered, had ik maar verder
gegaan. Hoe dom het was om terug te keeren. Terwijl ik mijn besloot betreurde
was ik overgekomen, door mijn menslijke verstand, met doodvrees. Ik wist dat ik
dood was geweest en ik was bang. Of had ik een duidelijke herinnering van het
naleven, ik was ongerust met dezelfde vrees gevoelen as voorheen. Ik kon mijn
ervaaring niet goed verwerken op dat moment.
Toen mijn kamergenoot na beneden van het hogere bed klir, werd ik door de pijn
van de bewegende bed "gewaakt." Ik herinnered hoe ik vrij van pijn was toen zij
omhoog ging. Woorden begonen van mijn mond to spoelen toen ik probeerde te
verklaaren wat mij gebeurd had. Haar eerste reactie was ongeloof. Toen ik haar
vertelde wat deel van de Bijbel zij was met bezig te leezen terwijl ik "in de
slaap was" op het onder bed, was ze zonder woorden. Zij wou niet verder praaten,
zij ging vast voor hulp zoeken.
Een concierge wie veraantwoordlijk was voor onze vloer, kwam binnen. Zij was
niet een dichte vriend, maar ik respecteerde haar. Zij luisterd en probeerde het
te verstaan. Ik vroeg haar graag mij niet weer te laten slaapen, als ik weer
moest kiesen kwam ik vast niet weer terug. Op laatst verlate zij mij en toen
voel ik interdaad in de slaap maar ik was de gelegenheid niet weer gegeven om te
sterven. Ik had nooit gehoord van iemand de ervaard had wat ik had ervaard. Ik
voolde mij alleen en onverstelled. Ik werd onwilig om over mijn beleefenis te
praaten omdat de reacties van anderen waren zo negatief en pijnlijk. Toch begon
ik te realizeeren dat ik er veel van geleerd had. Als ik nadacht over het
verloos van pijn en de vrede dat ik had vernomen, het verlees van doodvrees dat
ik voorheen altijd had. Dat vrees is nooit weer teruggekomen. Ik weet wat op't
end mij verwacht. Ik weet dat ik terug bent gekomen voor een reden. Ik weet niet
precies wat mijn doel is, maar ik verstond het in't geheel toen ik daar was,
voor dat ik terug kwam.
Het gerust dat ik nu voel als een vriend of familie lid wordt overleden is ook
een gift. Ik voel het verlies, maar ik weet dat ze in haar nieuwe wereld vrij en
vol vreugde zijn. Mijn Godsdienstege overzichten veranderden het meeste. Ik ben
in een Christelijk gezin opgevoerd en had mijn vertrouwen in het volgen van
Jesus zinds ik 10 jaar oud was. Mijn ouders waren missionarissen in Oost-Afrika.
Ik voelde wel eens verwijdered van God, en was niet altijd over eens met de
moraallen waar ik mee opgegroied had maar toch beschoud ik mijzelf als steeds
Christlijk.
Ik geloovde dat de Bijbel was het woord van God, en dat een besluit om Jezus
Christus to volgen zou mij zeker van hel spaaren. Ik had soms vragen over de
verschillende geloven of het begrijp van hemelsredden. Terwijl ik dood was werd
mij gewaar verder verstand van mijn vorige geloven. In vele wegen, werden die
geloven verwaardeloosed.
Zindsdien houd ik vast aan somige bevatingen dat ik in kinderheid heb geleered
en in andere gevalen scheid ik van beweringen dat ik weet echter menselijk in
plaats van Godelijk van oorsprong te zijn. Het is niet gemaakelijk om alles op
een niewe manier to verwerken. Een gevolg is dat ik veel meer aannemig bent tot
geloven dat wat anders zijn als mijn eigen om dat ik weet hoe peperkend het
menselijk verstand is. Ik weet dat God zaal zichzelf aan ons bekend maaken,
afhanklijk van ons nooden en geloven. God zichzelf, in de vorm van Jezus,
strijvde om aan zijn dichtste volgers een verstand ervan te brengen. Op de nacht
voor zijn dood, was zijn frustratie duidelijk toen Hij begreep dat zij het in't
geheel niet verstonden en Zijn tijd was op het end. Jezus was peperkt door Zijn
menslijkheid. De Helige Geest is peperkt door onze menslijkheid. Of was de
Bijbel door God geiinspireered, het was door mensen geschreven en woordt door
mensen gelezen. Het is met woorden verbonden. Het is diepgaand maar beperkt.
Toch helpt het ons te verstaan wat is buiten verstandt. Het onverdiende,
onverdienbaare lievde van God is onbegrijplijk. De vreugde, vrede, blijheid,
tevredenheid en lievde dat wij in onze leven ervaren is maar een schaduw van het
hiernamaals. Wij probeeren door onze begrijp van het redden te bevatten wat al
van ons is. Het maakt neit eens een begin aan het beeldt van de werklijkheid van
God. Ik probeer niet meer werklijkheid te zoeken. Met de tijt woordt het voor
ons vanzelf duidelijk. De Kerk is onze voorbeeld om te verstaan wat niet
verstaanbaar is, om te beperken wat niet beperkbaar is, te regelen wat niet
regelbaar is. Godsdienst is het resultaat van onze onvermogen om Geestlijkheid
te begrijpen. Toch het voert ons, het is ons lijflijn en brengt ons in verstand,
wij grooien erdoor dichter bij God, maar ook kan het aan ons pijn, scheiding en
verwarren brengen.
Ik staan niet tegen het aangenomen Godsdienstig geloof. Ik probeer niet de
werklijkheid van mijn ervaaring aan anderen in te drukken. Ik probeer niet de
regelen van de kerk te laten tussenkomen met de wetenschap dat ik heb. Ik
probeer mij zo best mogelijk aan God te betreffen.
De verandering in mijn aadt volgens mijn doodservaaring heeft vele jaaren
genomen om te begrijpen, en ik herinner en nadenk en breng voorduurend in't
gebruik wat ik geleerd heb. Eerst was ik alleen met mijn ervaaringen. Ik had een
wonderlijke reis, veel wetenschaap en begrijp maar een gebrek om het voledig uit
te leggen, gehoord of verstondt te worden dus probeerd ik alles binnen te
houden. Toen had een professeur van Sociologie vriend mij verteldt iets over een
Kubler-Ross boek. Toen ik dat geleezen had werdt het mij gewaar dat ik tenslotte
niet alleen was. Ik kon niet gelooven het gelijkheid van mijn ervaring en dat
van anderen. Ik wou er meer over weten. Ik naam een klas over doodte en sterven,
veronderstellend dat het zou wel een velig plaats zijn om mee te beginnen. Ik
schreef een papier over mijn nadoodte beleeften. Mij instructeur dacht dat ik
ervarringen had dat door drugs werden veroorzaakt. Het was vele jaaren voordat
ik de zoort vrienden had dat ik kon vertrouwen met mijn verhaal. Deze vrienden
moedigden mij aan om er meer over to spreken, andere booken over zulke gevallen
te lezen en om het meer in mijn leven te integreren. Daar waren tijden dat ik zo
oververmogen was met tegenstandt in mijn leven dat ik aan God gebidden had of ik
terug mocht. Voor een kans om de wonderheid weer te beleven. Ik heb wel eens
gevraagt waarom ik de gelenheid had om te leren hoe prachtig het leven na het
leven is, zinds een van de resultaaten is een vermindering van het levenswil.
Ik weet nu hoe lievde zonder voorwaarden voelt. Het ervaaren van tevredenheidt,
het herinneren van schoonheidt en vrede, al van dit heb ik de gelegenheidt om in
mijn ervaring te brengen hier en nu, en mischien aan anderen hulp toegeven om
het te verstaan. Ik hoof niet tot doodt te wachten. Ik heb herinneringen dat
mijn leven hier kan verijken. Zo veel is verandered in de laatste twintig jaar
zinds ik het naleven heb geprooven, ik weet niet zeker welken veroorzaakt werden
door mijn ervaaring en welken waren veroorzaakt van gewoon het ouder werden. Of
heb ik de helft van mijn leven verbruikt aan het tegenhoudt van herinneringen,
dezondanks was ik geindrukt.
TOEN
Ik was Godsdienstig met vele vraagen. Ik was erg bang van de doodt. Ik had veel
hoofdpijn en was aan medicatie afhanklijk. Ik strijde met een arme zelf beeld.
Ik had mijzelf verwijdered van vele familie leden en vrienden. "Wie ben ik?" was
in sterk verbandt met mijn beroep gekeuseningen. Ik moest weten wat mijn
doeleinden en richting was om een gevoel van zelfwaarde te krijgen. Ik strijde
met de drukte van't leven.
NU
Ik ben meer geestelijk en heb vele aantwoorden. Mij gerief door het overleden
zal zijn het geweet dat daardoor komt gerief en vreugde. Ik heb maar weinig
hoofdpijn meer en gebruik er Tylenol voor. Ik ben creatief, onafhanklijk en ben
trots op mijn successen. Ik krijg veel plazier van mijn vele goede vrienden en
heb een goed verhouding met mijn ouders. "Wie ben ik?" is in sterk verbandt met
verhoudingen tussen vrienden, familie en God. Ik heb een doel. Ik hoef niet te
weten wat ik zal berijken. Ik heb veel om voor te leven. Ik voel nog wel drukte
maar ik kan er better tegen. een paar jaar geleden heeft een vried mij gevraagt;
"Als je de kans weer had ging jij over de muur stappen?" Zonder nadenk zie ik,
"ja zeker". Toen zie zij, "jij ging dan alles achterwege laten
wat je nu hebt?" "Ja dat deed ik," was mijn antwoord. Het is niet dat ik graag
gescheiden wilt zijn van mijn kinderen, ouders en vrieden maar ik heb een
waardeering van de kans dat ik gegeven was. Als de tijd juist is dan zal dat
gevoel van vrede en gerust mij vast tegenmoet komen.